Menu Sluit menu

Behandeling

Onderzoek vooraf

Onderzoek voor de opname

Sommige onderzoeken vinden plaats nog vóór de opname in het ziekenhuis: 

  • bloedname 
  • radiografie van de longen 
  • echografie van de lever  
  • botscan 

Indien nodig, worden bijkomend een CT-scan, NMR-scan, PET-scan, electrocardiogram of bijkomend hart- of longonderzoek uitgevoerd. 

Vooraleer u in het ziekenhuis opgenomen wordt, kunt u ook, indien u of uw arts dat nodig vindt, een afspraak maken bij de anesthesist. Die verschaft u meer uitleg over de wijze van verdoving (narcose) tijdens de ingreep.  U moet voor de ingreep ook langsgaan bij uw huisarts om het preoperatieve dossier verder in te vullen. 

Onderzoek bij opname

Als de tumor die de arts moet verwijderen niet direct voelbaar is, voert men een reperage uit waarbij de tumor exact gelokaliseerd en aangeduid wordt. De reperage vindt plaats op de dag vóór de ingreep en gebeurt ambulant of via opname de dag voordien. 

Wordt bij u de schildwachtklier weggenomen, dan moet u voor de exacte markering van deze klier de ochtend van de ingreep langsgaan op de dienst nucleaire geneeskunde.

Chirurgische behandelingen

Borstsparende operatie

Bij een borstsparende operatie wordt de tumor ruim weggenomen, dat wil zeggen met een deel gezond borstklierweefsel, voor zover de arts dit met het blote oog kan beoordelen. Het microscopisch onderzoek zal uiteindelijk moeten uitmaken of het gezwel voldoende ruim en dus veilig is weggenomen. Men noemt deze procedure een brede excisie, lumpectomie of tumorectomie. 

Na de borstsparende operatie volgt altijd bestraling (radiotherapie) van de volledige borst, in combinatie met een extra dosis stralen op de plaats waar de tumor zich bevond. Enkel de combinatie van een borstsparende operatie en bestraling levert voor de patiënt een veilig resultaat op.

Er kan in enkele gevallen geen borstsparende ingreep worden uitgevoerd: 

  • Als u als patiënt niet akkoord gaat met vier tot zes weken bestraling na de ingreep of bestraling niet kan.
  • Wanneer er verschillende tumoren in de borst aanwezig zijn.
  • Wanneer de tumor te groot is in verhouding tot de borst
  • Wanneer het kwaadaardige gezwel na een borstsparende ingreep met bestraling toch is teruggekomen (recidief).

In al deze gevallen vindt beter een borstamputatie plaats.  Een zeldzame keer blijkt uit het microscopisch onderzoek na een borstsparende ingreep dat de tumor niet volledig verwijderd werd. In dit geval moet, na overleg met de patiënt, in een tweede operatie een bredere wegname (resectie) of alsnog een borstamputatie worden uitgevoerd. De beslissing tot borstamputatie neemt men dus nooit tijdens de borstsparende ingreep!

Reperage

Als het gezwel dat chirurgisch verwijderd moet worden niet direct voelbaar is, voert men eerst een reperage uit. Hierbij is het de bedoeling om de tumor exact te lokaliseren en aan te duiden, zodat de chirurg die correct kan wegnemen. 

Er zijn twee manieren om een gezwel in de borst aan te duiden: 

  • Ofwel lokaliseren we de tumor tijdens een echografie en brengt men met stift een markering aan op de huid. 
  • Ofwel brengen we, onder echo- of mammografie geleide, een metalen draadje doorheen de huid tot in de borsttumor. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving en is vergelijkbaar met de punctie die voor de ingreep werd verricht en tot de diagnose leidde. 

Schildwachtklierbiopsie

Bijna bij alle patiënten is er ook een ingreep in de oksel nodig, voor het wegnemen van de schildwachtklier of om een volledige okselklieruitruiming uit te voeren.  Bij sommige patiënten moet enkel de schildwachtklier (sentinelklier) worden verwijderd. De schildwachtklier is de eerste klier in de oksel naar waar de tumorcellen uitgezaaid kunnen zijn.

De schildwachtklier wordt voor de ingreep lichtjes radioactief gemaakt door een licht radioactieve stof die men inspuit ter hoogte van de borsttumor. Deze stof, die niet gevaarlijk is voor de patiënt noch voor zijn omgeving, wordt via de lymfebanen vanuit de borst naar de oksel vervoerd en vervolgens vastgehouden in de schildwachtklier. Tijdens de operatie spoort men de radioactieve schildwachtklier met behulp van een speciaal toestel op. Vervolgens wordt die samen met de borsttumor verwijderd. 

Nog tijdens de ingreep voert men microscopisch spoedonderzoek uit op de schildwachtklier. Als uit dit onderzoek duidelijk blijkt dat er tumorcellen in de schildwachtklier aanwezig zijn, wordt onmiddellijk een volledige okselklieruitruiming uitgevoerd. Stelt men niet onmiddellijk tumorcellen vast, dan wachten de artsen de resultaten af van het verder microscopisch onderzoek van de klier. Dit onderzoek neemt enkele dagen tijd in beslag. Als de resultaten aantonen dat er toch tumorcellen aanwezig zijn, gebeurt in een aantal gevallen toch nog een okselklieruitruiming. 

In zeldzame gevallen gebeurt het dat bij de patiënt geen schildwachtklier gevonden wordt. In dat geval voert men ook een volledige okselklieruitruiming uit.
 

Borstamputatie

Bij een borstamputatie (mastectomie) worden de volledige borstklier, de overliggende huid en de tepel met tepelhof weggenomen. Dit resulteert in een vlakke borstkaswand met een horizontaal of diagonaal lopend litteken vanaf de middellijn (borstbeen) tot aan de oksel. Hierop kan de patiënt een uitwendige prothese dragen. Dit is een (voorlopig) lichte prothese. Na zes weken kan de patiënt overgaan op een definitieve siliconeprothese.

Okselklieruitruiming

Als de schildwachtklier is aangetast, moeten alle klieren in de oksel verwijderd worden. Dit gebeurt echter ook om andere redenen (zeer groot gezwel, meerdere gezwellen, vroegere ingrepen, etc.). Ondanks het feit dat de klieren in de oksel normaal aanvoelen, kunnen er toch microscopisch kleine uitzaaiingen aanwezig zijn. Vergrote klieren kunnen dan weer tumorvrij zijn en alleen een reactie vertonen (bijvoorbeeld na een punctie). Het resultaat van het microscopisch onderzoek van de klieren is voor de arts belangrijk en bepalend voor de verdere behandeling. Het aantal lymfeklieren in de oksel wisselt van patiënt tot patiënt. Gemiddeld neemt de arts bij een volledige okselklieruitruiming een twaalftal klieren weg.

Er is geen relatie tussen de ernst van de aandoening, het aantal aangetaste klieren en de kans op zwelling van de arm in de toekomst.

Onmiddellijke gevolgen
  • Drain: Vlak na de operatie brengt men een siliconenbuisje (drain) aan in de okselholte om bloed en wondvocht (lymfevocht) te verwijderen. De hoeveelheid wondvocht per dag en de totale duur van de drainage zijn niet van belang. Gemiddeld kan de drain na twee weken worden verwijderd. Deze termijn kan uiterlijk oplopen tot vier weken.  
  • Kinesitherapie: Om ervoor te zorgen dat de schouder niet verstijft, start de patiënt vrij snel na de operatie met voorzichtige oefeningen onder begeleiding van een kinesitherapeut. 
  • Lymfedrainage: Na het verwijderen van de drain, mag de patiënt de arm weer normaal bewegen. Tegelijk start de kinesitherapeut met preventieve lymfedrainage. Bij ontslag uit het ziekenhuis krijgt de patiënt, indien nodig, een lijst mee van kinesitherapeuten die lymfedrainage in hun praktijk toepassen. 
  • Slapend gevoel in arm: Doordat de huidzenuwen in de oksel tijdens de ingreep onderbroken werden, kan de patiënt in de huid aan de binnenzijde van de bovenarm ter hoogte van de oksel, een slapend of prikkelend gevoel ondervinden. Dit gevoel verdwijnt meestal en geeft zelden blijvende last.  
Gevolgen op langere termijn : lymfoedeem

Een volledige okselklieruitruiming houdt een levenslang risico in op lymfoedeem (zwelling van de oksels). Door de ingreep is de normale drainage van het eiwitrijke lymfevocht immers onderbroken. Eiwitten worden bijgevolg niet meer afgevoerd, trekken wondvocht aan en dat vocht stapelt zich op in de weefsels. 

Bij de schildwachtklierbiopsie is de kans dat dit risico zich voordoet minimaal. Bij een okselklieruitruiming is het risico tussen de 25 en 35%, en sterk afhankelijk van de leeftijd, gewicht en het feit of de oksel al dan niet bestraald werd. Soms is het nodig om enkele preventieve maatregelen te nemen.  Brochure ‘lymfoedeem’.

Lokale nabehandeling : radiotherapie

radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) precies op de plaats van het gezwel of op de plaats waar het gezwel zich bevond, gericht. De stralen veroorzaken een beschadiging van het DNA of het erfelijk materiaal van de cel waardoor de cel zich niet meer kan delen. De bestraling kan van buitenaf komen (uitwendige bestraling) of van radioactief materiaal dat in de tumor werd ingebracht (inwendige bestraling).

Bij borstkanker wordt meestal uitwendig bestraald. Het gebied dat men bestraalt, verschilt per patiënt. Ook de duur van de behandeling, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos. In de loop van de behandeling kan de huid rood worden waardoor ze gevoeliger wordt, te vergelijken met zonnebrand.

Meer info over radiotherapie

Algemene nabehandeling

De algemene nabehandeling is noodzakelijk om uitzaaiingen naar andere delen van het lichaam te voorkomen. Of deze behandeling nodig is, hangt af van een aantal risicofactoren: de grootte van de tumor, de differentiatiegraad (agressiviteit van de tumor of de mate waarin de tumor nog op normaal borstklierweefsel gelijkt), het aantal aangetaste okselklieren, de hormonale gevoeligheid van de tumorcellen en de leeftijd van de patiënt. Dit betekent dat meestal pas na de operatie met zekerheid gezegd kan worden welke algemene nabehandeling u best ondergaat. De verschillende specialisten in het multidisciplinaire overleg beslissen welke nabehandeling u zult krijgen en zullen dit een week tot tien dagen na de operatie met u bespreken.  

chemo dagziekenhuis

Chemotherapie

De naam chemotherapie verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of de groei ervan afremmen. Over het algemeen worden deze medicijnen via een infuus gegeven. Meestal krijgt u daarvoor onder plaatselijke verdoving in de operatiezaal een poortkatheter. Dit is een onderhuidse katheter die een hele tijd kan blijven zitten en waarlangs de medicatie wordt toegediend. 

Chemotherapie na een operatie is bedoeld om het risico te verkleinen dat de kanker terugkomt (dit noemt men adjuvante chemotherapie). Chemotherapie kan echter ook voor een operatie gegeven worden om het gezwel te verkleinen (dit wordt neoadjuvante chemotherapie genoemd). 

Bij vrouwen die nog niet in de menopauze zijn, wordt de menstruatie tijdens de behandeling soms onregelmatig of blijft ze achterwege. Dat betekent echter niet dat er helemaal geen kans is op zwangerschap. Gebruik daarom best anticonceptiemiddelen maar geen hormonale contraconceptie. Bij vrouwen boven de 45 blijft de menstruatie vaak definitief achterwege, ook na het einde van de chemotherapie.

Meer info in de brochure Chemotherapie 

Hormonale therapie

De belangrijkste vrouwelijke hormonen zijn oestrogeen en progesteron. De meeste borstkankers (70%) hebben deze hormonen nodig om te groeien en zijn dus hormonaal gevoelig. Op de kankercellen bevinden zich immers eiwitten, de zogenaamde receptoren, waaraan de oestrogenen zich kunnen vasthechten. 

Tamoxifen is een product dat sterk gelijkt op oestrogeen en dat zich eveneens aan deze receptoren bindt. In tegenstelling tot oestrogeen, oefent Tamoxifen echter geen groeibevorderende werking uit op kankercellen. Integendeel, het product blokkeert de groei. Daarnaast zijn er ook nog andere producten (aromatase inhibitoren) die de aanmaak van oestrogenen in het lichaam verminderen. 

Tijdens de hormonale therapie worden deze producten (antihormonale medicatie) aan patiënten met borstkanker gegeven. Ze blokkeren immers de werking van de natuurlijke hormonen en houden zo de groei van de kankercellen tegen. 

Indien de kankercellen geen progesteron of oestrogeenreceptoren hebben en dus niet hormonaal gevoelig zijn, heeft deze behandeling weinig zin en wordt ze niet toegepast.
 

0 resultaten

Geen resultaten voor "", probeer opnieuw te zoeken.